Filosofie

Al een aantal jaren wordt op school wekelijks gefilosofeerd met kinderen vanaf groep 2. Eigen gedachten en die van anderen onderzoeken, is wat kinderen doen als zij samen filosoferen. Zij leren zo om deze gedachten goed onder woorden te brengen, te luisteren naar elkaar en ontdekkenIMG_9333 dat je verschillend over dingen kunt denken, maar dat dat helemaal niet erg is. Ze leren zelf filosofische vragen te stellen en argumenten te formuleren. Bovendien vinden zij het erg leuk om samen na te denken over filosofische vragen. De bovenbouw leert daarnaast ook democratische spelregels tijdens debatteren.

Het kritisch leren denken en argumenteren zijn vaardigheden die filosofen al eeuwen belangrijk vinden voor de democratie en het ontwikkelen van je identiteit. Doordat het filosoferen de kinderen spelenderwijs deze eigenschappen aanleert, valt het filosoferen ook onder burgerschapsonderwijs.

Meer informatie over filosoferen in de klas kunt u vinden op deze site.

—————————————————————–

Een voorbeeld van een verslag dat wekelijks door filosofiedocente Marianne Scheeper wordt geschreven na weer een mooie reeks gesprekken:

Wat was het weer een heerlijke ochtend. Met de onder- en middenbouw heb ik heel veel lol gehad en de bovenbouw voerde een prachtig gesprek over de ziel.

De vraag aan de kleuters en 4e groepers was: kun je licht vangen? Met een kring van lichtjes in het midden las deze juf eerst een verhaal voor over de zon en de maan. Daarna een gesprek over wat je allemaal goed kunt in het donker: slaapwandelen, stiekem naar beneden gaan om snoepjes te pikken en héél snel naar de kamer van je moeder lopen. Daarna gingen we samen op onderzoek uit met o.a. als uitgangsvraag: kun je licht vangen?

Kun je een mandje met licht vullen? Ja en nee, werd er geroepen, maar iemand uit de groep begon alle kaarsjes in het mandje te stoppen, deksel erop en ja: het mandje was gevuld met licht! Is het gevuld met licht, of met waxinelampjes (met batterij uiteraard ;-)? “Allebei, maar de lampjes geven licht, dus dan is het mandje ook gevuld met licht.” En hoe weet je dat? Het mandje is dicht, dus je kunt het niet zien! “Jawel hoor, kijk maar!” Door een piepklein gaatje in het mandje kwam een straaltje licht.

“Licht kun je ook vangen: een zonnestraal die schijnt door het bos, daar kun je dan met je handen doorheen.” Maar heb je het dan gevangen? Toch wat twijfel bij de groep. De kinderen probeerden verschillende andere dingen uit met glazen waxinelichthouders met glitters: “het licht kaatst weg!” en met spiegeltjes. De weerkaatsing op het plafond uit de spiegel (via het licht van een zaklamp ín de spiegel) was volgens de meeste kinderen toch wel echt bewijs.

Maar nog niet iedereen was overtuigd…Hét moment om met een nieuw experiment te komen: onder een zwarte doek hielden we allemaal een glow-in-the-dark bloem of ster vast om te zien of we daar licht in konden vangen. Dat lukte niet direct: de bloemen en sterren gaven niet veel licht. Dus eerst een paar tegen het raam en de rest niet, om te kijken of er verschil was. En dat was er: de bloemen en sterren van het raam gaven meer licht dan die we op tafel hadden laten liggen! Nu werd iedereen enthousiast (inclusief deze juf). En als we nou licht geven aan de bloemen en sterren met de zaklamp? Weer met de hele groep onder de zwarte doek en steeds even de zaklamp tegen een glow-in-the-dark dingetje aan. Sprookjesachtig lichtte precies dat plekje steeds op in onze geïmproviseerde donkere kamer! En? Kun je licht vangen? Deze groepen waren overtuigd: zeker weten!

De bovenbouwgroep kreeg de opdracht om in 2 menselijke contouren (gemaakt met schilderstape rondom 2 vrijwilligers) een sticker te plakken op de plaats waar je ziel zit. “Wat is eigenlijk een ziel?”, vroeg één leerling vooraf. “Dat is jezelf die in je zit,” antwoordde een andere leerling. Dat was voldoende om aan de slag te gaan.

In de ene omtrek werden 3 bescheiden stickers geplakt in de hartstreek en aanvankelijk ook héél even één in het hoofd. In de andere omtrek werden een heleboel stickers geplakt van hoofd tot voeten. In een kring eromheen vertelden de kinderen waarom. Een stukje van dit gesprek:

S: “Je ziel zit in je, maar is niet je lichaam, want je ziel is jezelf.”
Is je lichaam niet jezelf?

S: “Nee, je echte zelf zit alleen in je ziel.”

En waarom dan bij je hart?
M: “Daar voel ik mijn lichaam het meeste. Daar gebeurt het meeste, denk ik.”
M: “Nee, je ziel hoort ook bij jezelf en je lichaam is óók jezelf, want je beweegt bijvoorbeeld je voeten door jezelf in je lichaam.”
M: “Daarom zit je ziel niet alleen in je hart, maar door je hele lichaam. En je hersenen laten je bewegen, dáár zit ook jezelf. Dus in je hersenen zit ook je ziel en je hersenen zijn het belangrijkst. Ik ben het dus niet eens met S dat jezelf alleen in je ziel zit of dat je ziel alleen in je hart zit. Want het zit overal.”
Kun je leven zonder hart?
M: “Nee.”
En zonder hersenen?
M: “Nee.”
Zijn je hart en hersenen dan niet even belangrijk voor je?
M: “Nee, want je kunt wel een harttransplantatie krijgen, dan leef je verder, maar je kunt geen hersentransplantatie krijgen.”
I: “Nee, dan gaat je zelf ook mee en dus ook je herinneringen en andere dingen van jezelf.”
E: “O ja, een goed argument!” (En de sticker werd van het hart weer snel teruggeplakt in het hoofd.)

Het gesprek duurde bijna een uur. Er werd geopperd dat je ziel na je dood weer doorgaat naar een ander. Voor de één groeide er weer een lichaam vast aan de ziel, bij de ander ging de ziel in het (pasgeboren) lichaam. Voor weer een ander kon dat niet, want dan zou je zelf naar een ander lichaam gaan en dan verloor je jezelf óf er zou weer een identieke jij ontstaan, maar dat was niet mogelijk.
Een nieuwe theorie was dat je ziel uit hele kleine deeltjes bestaat en dat die deeltjes rond kunnen reizen naar anderen. Daardoor weet je soms al wat een ander wilt zeggen (hiermee werd gedoeld op telepathie): dit kwam doordat een deeltje van de ziel van een ander, bijvoorbeeld je moeder of zeker ook bij tweelingen, even bij je binnen kwam. Dit bracht weer een andere leerling op de gedachte dat er een familieziel is, waarbij je een deel van de ziel van je vader en moeder meekrijgt bij je geboorte. Dit verklaart ook dat je opa of oma af en toe zegt: “Je lijkt sprekend op je moeder!”. Dat je ziel ook in een dier terecht kan komen, daarover waren de meningen verdeeld, want de één geloofde dat zij een deel van de ziel van een paard heeft, een ander kon zich wel voorstellen dat je ziel een dagje te gast was in een fruitvlieg, maar voor anderen ging dit toch te ver.

Het was een hele mooie dialoog waar verschillende meningen prima naast elkaar konden blijven bestaan. Tijdens het meta-gesprek na afloop bespraken we of dit een dialoog was of een discussie. “Bij een discussie schreeuwen mensen vaak tegen elkaar en luisteren ze niet, ook willen ze dat de ander hetzelfde gaat denken.” Was dit hier ook het geval? “Nee, want er werd verschillend over gedacht, maar dat was helemaal niet erg, daar werd gewoon over gepraat.”

Deden ze dat ook maar wat vaker in de ‘grotemensenwereld’ die langskomt op mijn beeldscherm(-en)!
Dat lijkt mij een mooie kerstwens om dit jaar mee af te sluiten.

Ik wens jullie allemaal hele fijne dagen, een spetterend uiteinde en een prachtig begin van het nieuwe jaar. Koester elkaar!